Haunted
Titel: Haunted.
Geschreven: eind 2008.
Hoofdpersoon: Simone.
Jaartal: geen specifiek jaartal.
Locatie: geen specifieke locatie.
Leeftijdscategorie: 14-16 jaar.
Lengte: in MS Word, regelafstand 1,5 en lettergrootte 12, 7 pagina's.
Korte samenvatting: De 15-jarige Simone werkt als babysitter en gaat een avondje oppassen op de 7-jarige Amy. Amy's vader is kortgeleden doodgeschoten na een ruzie, en Amy denkt dat de geest van haar vader haar bezoekt. Als Simone hierachter komt, is het eigenlijk al te laat om Amy nog te redden.
Met haar capuchon over haar hoofd getrokken tegen de ijzige oktoberregen rent Simone de straat waar Amy woont in. Het is al een week rotweer. Het is ijskoud, en het regent, hagelt, en onweert aan één stuk door. Oktober komt ten einde, en dat laat het weer duidelijk merken.
Sinds twee maanden past Simone één avond in de week op de kleine Amy. De ouders van Amy wonen niet bij elkaar, weet Simone. Amy’s moeder gaat één avond in de week naar een sportschool, en omdat er geen vader is om op Amy te passen werd er om een oppas gevraagd. Simone had meteen gereageerd. Die drie euro per uur die ze ervoor krijgt kan ze goed gebruiken.
Simone opent het tuinhekje, dat een griezelig piepend geluid maakt. Ergens in de verte klinkt het geluid van de donder. Het is donker buiten, ondanks dat het nog maar 7 uur is. Ze snelt de tuin in en belt aan. Amy’s moeder opent de deur.
‘Fijn dat je er bent’, zegt ze.
Simone glimlacht en gaat het huis binnen. Een sterke wierookgeur dringt haar neus binnen. Simone weet dat Amy’s moeder veel wierook brandt om tot rust te komen, omdat ze aan een posttraumatische stresstoornis lijdt. Wat haar trauma is, weet Simone niet, en daar durft ze ook niet naar te vragen.
Amy’s moeder vertrekt en doet de voordeur zachtjes achter zich dicht. Haar voetstappen zijn duidelijk hoorbaar op het grindpad. Niet veel later hoort Simone het tuinhekje piepen, en dan wordt het, op de kletterende regen, de wind, en het rommelende geluid van de donder in de verte na, stil.
Nog een beetje onwennig loopt Simone naar de woonkamer. Er brandt één enkele schemerlamp. De open haard smeult nog een beetje na. Simone loopt naar de open haard. Op de open haard staan een aantal foto’s. Simone heeft gemerkt dat er elke week andere foto’s staan. Ook nu staan er weer andere foto’s dan vorige week. Ze bekijkt de foto’s aandachtig. Op de eerste is een vrolijk lachend echtpaar te zien, en op de schoot van de vrouw, die Simone herkent als Amy’s moeder, zit een baby. De baby moet Amy zijn, en de man zal dan haar vader zijn. De man ziet er mysterieus uit. Hij heeft donker haar, donkere ogen, met dikke wenkbrauwen die elkaar boven zijn neus raken. Verder heeft hij lange bakkebaarden, een bril, en een snor. Hij glimlacht recht in de camera. Op deze foto lijkt Amy nog erg op haar moeder. Amy is hier hoogstens een paar maanden oud, en heeft donkerblond haar en blauwe ogen. Nu heeft Amy het donkere haar en de donkere ogen van haar vader.
Op de volgende foto is weer Amy te zien, deze keer zittend in een kinderstoel. Simone schat dat Amy hier een maand of 10 moet zijn. Zo te zien lacht ze luidruchtig. Haar mond staat wijd open en haar ogen glinsteren. Toen nog wel, denkt Simone. In de twee maanden dat ze nu op de 7-jarige Amy past heeft ze haar nog nooit zien of horen lachen. Amy lijkt altijd boos of verdrietig te zijn. Simone vraagt zich af of dat iets te maken heeft met het trauma wat haar moeder heeft opgelopen. Zou Amy dat trauma ook hebben?
Op de derde foto ziet Simone een meisje van een jaar of 10 op de bank zitten. Op haar schoot zit Amy, die hier ongeveer 2 jaar oud moet zijn. Amy heeft haar duim in haar mond en kijkt gefascineerd in de lens van het fototoestel. Een plotselinge lichtflits verlicht de foto’s op de open haard even fel. Simone schrikt. Het gerommel van de donder klinkt iets dichterbij. Simone besluit nog een lamp aan te doen. Door het felle licht van de lamp is de woonkamer meteen minder sfeervol en rustgevend. Simone gaat zitten. Het kan haar niet veel schelen of de woonkamer sfeervol is, of haar rust biedt. Ze leunt achterover tegen de zachte kussens die op de bank staan en staart naar het witte plafond. De grote kroonluchter met lampen in de vorm van kaarsen werpt met zijn licht fascinerende schaduwen op het plafond. Een volgende bliksemflits verlicht de woonkamer. Simone staat op en sluit de zwarte gordijnen voor het grote raam dat bijna een hele wand van de woonkamer bedenkt. Dan gaat ze weer zitten. Ze kijkt op de klok. Kwart over zeven. Amy hoeft pas om acht uur in bed te liggen, dus Simone leunt weer achterover. Ze denkt aan Amy. Wat kan er gebeurd zijn wat het leven van een klein meisje zo erg kan beïnvloeden? Wat kan die vrolijke lach op Amy’s gezicht hebben doen verdwijnen, en de posttraumatische stresstoornis bij Amy’s moeder hebben veroorzaakt?
De wind raast langs het huis, en de regen klettert aan één stuk door tegen de ruit. Simone schrikt even op uit haar gedachten door een donderslag. Het tuinhekje piept. Simone voelt haar hart in haar keel bonzen. Wat was dat? Ze staat op en sluipt richting de voordeur. Voorzichtig schuift ze het kanten gordijntje wat voor het raam naast de deur hangt opzij. Het tuinhekje staat open, maar er is niemand te zien. Waarschijnlijk was het de wind die het tuinhekje heeft open gewaaid. Op dat moment waait het tuinhekje met een piepend geluid, gevolgd door een doffe klap, weer dicht. Simone glimlacht. Ze blijft even door het raampje kijken. In de verte ziet ze een bliksemschicht. Een oude man met een hond rent voorbij de tuin. Simone kijkt hem na. Dan loopt ze terug naar de woonkamer. De klok slaat half 8. Simone loopt richting het grote raam. Plotseling klinkt er een doffe klap van boven. Simone staat stil. Langzaam draait ze zich om. De regen klettert nog steeds tegen de ramen, maar verder blijft het stil. Simone loopt langzaam naar de hal. Onderaan de trap blijft ze staan. Het tuinhekje piept weer en de wind maakt een akelig geluid.
‘Amy?’ roept Simone.
Er komt geen antwoord van boven. Voorzichtig loopt Simone de trap op. Elke trede kraakt onder haar voeten. Ondanks haar angst moet Simone even glimlachen bij het idee dat het lijkt of ze midden in een horrorfilm beland is. Dan haalt ze diep adem en rent de laatste treden naar boven. Ze komt op een lange overloop met aan beide kanten deuren.
‘Amy?’ roept ze weer.
Er komt weer geen antwoord.
‘Amy!’ roept ze nu harder.
Haar hart bonst hard in haar keel. Trillend loopt ze naar de slaapkamer deur van Amy. Ze klopt op de deur. Nog steeds geen reactie.
‘Amy, ben je daar?’ vraagt Simone.
Ze probeert de deur te openen. Op slot.
‘Amy, doe de deur open!’ roept ze, nu meer boos dan bang. ‘Dit is geen leuk spelletje!’
Nog steeds gebeurt er niets. Simone draait zich om. Ze besluit in de andere kamers naar Amy te zoeken. Misschien verstopt ze zich. Ze opent de dichtstbijzijnde deur en loopt de lege, donkere kamer in. ‘Ben je hier?’ Vraagt ze. Er komt geen reactie. Ze verlaat de kamer weer, en sluit de deur achter zich. Het licht aan het plafond flikkert even. Dan hoort ze het geluid van brekend glas. Simone schrikt. Het kwam uit de slaapkamer van Amy!
‘Amy, wat gebeurt er?!’ schreeuwt Simone, terwijl ze naar Amy’s slaapkamerdeur rent.
Ze bonst op de deur en probeert hem dan weer te openen. De deur zit nog steeds op Slot. Simone duwt met haar volle gewicht tegen de deur. Dan pakt ze de deurknop en trekt eraan. Ze herinnert zich niet meer of de deur naar binnen of buiten open moet. Ze doet een stap naar achteren en rent dan naar de deur. Ze smijt haar gewicht tegen de deur, maar de deur blijft nog steeds dicht zitten.
‘Amy!’ schreeuwt Simone hard.
Dan zwaait de deur plotseling open. Er komt een enorme windvlaag uit de slaapkamer van Amy. Simone verliest haar evenwicht en valt achterover. Ze krabbelt voorzichtig weer overeind. De wind blaast takjes en herfstbladeren door de gang. Simone strompelt tegen de harde wind in Amy’s slaapkamer binnen. Ze ziet dat het raam gebroken is. De harde wind waait naar binnen en neemt een enorme hoeveelheid herfstbladeren mee. De regen waait schuin naar binnen. Simone vecht zich verder de kamer in. ‘Amy, ben je hier?’ Roept ze. Het geluid van haar stem wordt overstemd door het harde geraas van de wind.
‘Amy!’
Simone grijpt zich vast aan de poot van Amy’s hoogslaper. De wind waait haar haren in haar gezicht en ze ziet bijna niets. Ze laat zich op de grond zakken. Ze strijkt haar haren naar achteren en kijkt dan weer naar het raam. Er is een enorm stuk glas verdwenen. Ze kijkt de kamer rond. Amy is nergens te bekennen. Dan vallen haar ogen op de stukken glas, die tussen de herfstbladeren op de grond liggen. Simone bedenkt dat het raam van buitenaf kapot moet zijn gegaan. Ze pakt een stuk glas op en ziet dat er bloed aan zit. Voorzichtig raapt ze nog meer stukjes glas bij elkaar. Elk stukje glas is met bloed besmeurd. Simone haalt haar vinger over het glas. Het bloed is nat. Vers bloed. Simone huivert en kijkt weer naar het raam. Een paar seconden blijft ze versuft zo zitten. Dan pas merkt Simone dat ze drijfnat is van de naar binnen waaiende regen. Ze beseft nu ook hoe koud het is. De ijzige wind verkleumd haar natte handen en gezicht. Haar ijskoude natte haren vallen langs haar gezicht. Voorzichtig probeert ze op te staan, zich nog steeds aan de poot van de hoogslaper vasthoudend. Als ze overeind is gekomen draait ze zich langzaam om. Haar maag maakt een salto. Amy staat in de deuropening. Ze huilt. Haar lange, golvende donkere haren zijn drijfnat, en in haar voeten en armen zitten diepe sneeën. Haar nachtjapon wappert wild in de harde wind, en in haar rechterhand houdt ze een stukje papier. ‘Amy?’ Simone kijkt verbaasd naar het natte gezicht van Amy. Langzaam loopt ze naar Amy toe. Amy deinst achteruit.
‘Amy, wat is er gebeurd?’ fluistert Simone.
Amy schuifelt nog steeds naar achteren. Dan rent ze de gang op. Halverwege struikelt ze en valt op de grond. Simone rent naar Amy toe en gaat naast haar op de grond zitten. Amy verstopt haar rechterhand met het stukje papier achter haar rug. Simone pakt Amy’s linkerhand vast.
‘Je bent veilig nu’, fluistert Simone.
Ze omhelst Amy.
‘Waar was je?’
Amy geeft geen antwoord.
‘Hoe kom je aan die wonden?’ vraagt Simone.
Ze strijkt Amy’s natte haren uit haar gezicht.
‘Amy zeg iets!’
Amy zwijgt nog steeds. Ze haalt haar rechterhand achter haar rug vandaan. Ze geeft het witte stukje papier wat ze daarin vasthoudt aan Simone.
Het stukje papier blijkt een foto te zijn. Op de foto staat een glimlachende man met donker haar, die Simone herkent van de foto beneden op de open haard.
‘Je vader?’ vraagt ze.
Amy knikt.
‘Wat is er met hem?’ vraagt Simone.
Amy kijkt Simone bang aan.
‘Dood’, fluistert ze dan.
‘Dood?’
Amy smeert het bloed uit de wonden op haar voeten over haar hele voeten uit.
‘Amy niet doen!’ zegt Simone, en ze trekt Amy’s hand weg van de wonden.
Dan kijkt ze Amy recht aan.
‘Hoe is je vader doodgegaan, Amy? En wanneer?’
‘Vorig jaar’, fluistert Amy. ‘Door een man met een pistool in de kroeg’.
‘Vermoord?’
Amy knikt.
‘Wat heeft hij hiermee te maken?’ vraagt Simone langzaam en onzeker.
Er begint langzaam iets te dagen.
‘Hij…’
Het blijft een paar seconden stil.
‘Hij heeft het gedaan’, fluistert Amy, terwijl ze naar haar voeten wijst.
‘Maar hij leeft niet meer?’
‘Spook’.
Simone’s gezicht trekt wit weg. Ze trekt Amy overeind.
‘We bellen je moeder’, zegt Simone, en ze wil Amy meenemen naar beneden.
Amy verzet zich.
‘Amy, kom!’
‘Nee!’
Amy blijft zich verzetten.
‘Mama mag het niet weten!’
Dan rukt ze zich los uit Simone’s greep en rent naar haar slaapkamer. Simone rent achter haar aan. Ze ziet dat Amy naar het kapotte raam toe rent.
‘Amy, nee!’ schreeuwt Simone.
Amy klimt lenig op de vensterbank en laat zich dan uit het raam vallen.
‘Amy!’
Simone rent naar het raam. Ze steekt haar hoofd naar buiten en kijkt naar beneden. Geen spoor van Amy. Ze draait zich weer om en rent de gang op. Met twee treden tegelijk stormt ze de trap af. Ze opent de voordeur en rent naar buiten. Dwars door de bosjes rent ze om het huis heen. Amy is nergens te bekennen.
‘Amy!’ schreeuwt ze weer.
Simone rent terug het huis in en stormt zonder de voordeur dicht te doen naar de woonkamer. Daar pakt ze de telefoon en draait het alarmnummer.
Haastig legt ze uit wat er aan de hand is. Dan laat ze de telefoon vallen en rent weer naar buiten. Ze rent het tuinpad af, springt gehaast over het tuinhekje heen, en rent naar het einde van de straat om de politie op te wachten. Een klein aantal minuten later komen er twee politiewagens en een ambulance met luide sirenes de straat in gereden. Simone zwaait met haar armen boven haar hoofd. Ze rent vooruit naar de voordeur van het huis van Amy. De politiewagens en ambulance volgen haar. Vlak voor de tuin komen ze tot stilstand. Simone rent het huis in. Niet veel later komen twee agenten ook binnen.
‘De anderen gaan de omgeving uitkammen’, zegt één van hen.
Simone gaat op de bank zitten. Ze merkt nu pas hoe erg ze trilt, en hoe verkleumd ze is. Eén van de agenten gaat naast haar zitten.
‘Jij bent de oppas van het meisje?’ vraagt hij.
Simone knikt.
‘Hoe oud ben je?’ vraagt hij daarna.
‘Vijftien’, antwoordt Simone zacht.
‘Vind je het goed als ik je ouders even op de hoogte breng?’
Simone knikt. Ze schrijft het telefoonnummer van haar huis op het stuk papier wat de agent haar geeft. Dan loopt de agent naar de telefoon. Simone luistert vaag naar het gesprek. De andere agent praat in zijn walkie talkie.
‘Er komt een speurhond’, zegt hij dan tegen Simone.
‘Oké’, fluistert Simone.
De agent staat op en loopt de woonkamer uit. Dan klinkt uit de keuken het geluid van brekend glas. Simone kijkt naar de agent die nog in de woonkamer is. Hij is nog aan de telefoon. Ze springt zonder te aarzelen overeind en rent naar de keuken. Het glas van de keukendeur is gebroken. In de verte ziet ze Amy wegrennen.
‘Amy!’
Simone klimt door de kapotte ruit en rent achter Amy aan. Amy rent veel sneller, en Simone verliest haar al snel uit het zicht, maar ze is niet van plan op te geven. Ze rent door. De bomen staan hier steeds dichter op elkaar. Het is stikdonker, en Amy is nergens meer te bekennen.
Simone besluit toch op te geven, draait zich om, en rent terug naar Amy’s huis. Ze rent om het huis heen, naar de voordeur. Voor de deur staan nu meerdere ambulances. Simone rent het huis binnen. Dan blijft ze plotseling stil staan. In de woonkamer staan nu meerdere agenten, en ambulancemedewerkers in gele kleding zitten gehurkt op de grond. Eén van de agenten draait zich om en ziet Simone.
‘We hebben haar gevonden’, zegt hij.
Hij wenkt Simone. Angstig loopt Simone naar de agent. Dan ziet ze Amy op de grond liggen. Ze is spierwit. Op haar hoofd ligt een doek waar een grote bloedvlek op te zien is. Simone kijkt de agent angstig aan.
‘Is ze…?’
De agent knikt. Simone laat zich op de grond vallen en kijkt toe hoe de ambulancemedewerkers Amy proberen te reanimeren. Dan komen ze langzaam overeind.
‘Het heeft geen zin meer’, antwoordt één van hen.
‘Weet jij het telefoonnummer van haar moeder?’ vraagt een agent aan Simone.
Simone knikt en haalt haar mobiele telefoon uit haar zak. Ze zoekt het nummer van Amy’s moeder op en geeft het mobieltje dan aan de agent. De agent belt Amy’s moeder. Een andere agent helpt Simone overeind.
‘We willen je graag even meenemen naar het bureau’, zegt hij. ‘Niets ernstigs, we willen gewoon weten wat er gebeurd is. Je ouders zijn op de hoogte gebracht en komen daar ook heen’.
Simone knikt en volgt de agent naar buiten.